Wat is het LIFE-project „Vallées ardennaises“?
Het LIFE-project „Vallées ardennaises“ maakt deel uit van het LIFE-programma van de Europese Commissie, een financieel instrument dat met name bedoeld is om de uitvoering van het Europese beleid op het gebied van biodiversiteit en milieu te ondersteunen.
Het belangrijkste doel is het herstellen en verbeteren van de toestand van de rivieren en bossen in de valleien van de stroomgebieden van de Ourthe, de Amblève, de Vesdre en de Our. Deze ambitie wordt verwezenlijkt door middel van verschillende acties, zoals de aankoop van grond om natuurreservaten aan te leggen of uit te breiden, het aanplanten en beschermen van inheemse loofbomen, en het versterken van populaties van bedreigde lokale soorten.
Waar zijn we actief?
Het LIFE-project Ardense valleien richt zich op ingesloten valleien, dat wil zeggen valleien met steile hellingen die een vaak smalle en besloten waterloop omringen. Deze landschappen vormen doorgaans V-vormige valleien, die zowel diep als smal zijn. Het behoud van deze natuurlijke habitats vereist het herstel van de bosgebieden en de waterlopen. Dit werk maakt het mogelijk om rijke en diverse habitats in stand te houden en te versterken, die onderdak bieden aan iconische soorten van de regio, zoals vleermuizen of bepaalde zoetwatermosselen.
Waarom is het belangrijk om de Ardense valleien te beschermen?
De Ardense valleien vormen opmerkelijke natuurlijke habitats waar rivieren, bossen en wetlands met een rijke biodiversiteit samenkomen. Deze typische Ardense landschappen herbergen talrijke dier- en plantensoorten en spelen een essentiële rol in het goed functioneren van de lokale ecosystemen. Door deze valleien te behouden, blijft de kwaliteit van de waterlopen gewaarborgd, worden gevarieerde natuurlijke habitats in stand gehouden en wordt een natuurlijk erfgoed dat kenmerkend is voor onze regio in de verf gezet. De herstelmaatregelen die in het kader van het LIFE-project worden uitgevoerd, dragen zo bij tot het duurzaam behoud van deze milieus en versterken tegelijkertijd hun ecologische rijkdom.
Wat doet het Natuurpark in het LIFE-project Ardense valleien?
In het kader van het LIFE-project Ardense valleien is het Natuurpark voornamelijk verantwoordelijk voor het versterken van de populaties van twee soorten zoetwatermosselen: de parelmossel en de dikke riviermossel, in het stroomgebied van de Our en de Laval.
Deze twee soorten, de parelmossel (Margaritifera margaritifera) en de dikke riviermossel (Unio crassus), zijn vandaag de dag ernstig bedreigd en staan in Wallonië op het punt van uitsterven. Om hun voortbestaan te verzekeren, worden verplaatsingsacties opgezet, die erop gericht zijn de bestaande populaties te versterken of de soort opnieuw in te voeren in geschikte gebieden.
Concreet zijn deze operaties gebaseerd op het kweken van jonge exemplaren, gevolgd door hun herintroductie op verschillende locaties in de zijrivieren van de Our. Tussen 2022 en 2024 zijn er verschillende wetenschappelijke studies uitgevoerd om deze acties voor te bereiden: biomonitoring, analyse van de kwaliteit van de interstitiële ruimtes, onderzoek naar de sedimentdynamiek en planning van de meest geschikte trajecten voor herintroductie.
Dankzij deze werkzaamheden konden de twee meest geschikte beekjes en de optimale uitzetgebieden worden geïdentificeerd.
Tijdens het project is het de bedoeling om elke zomer 500 parelmosselen uit te zetten van 2024 tot 2027, evenals 1.000 dikke riviermosselen tussen 2023 en 2027. In totaal zullen zo 2.000 parelmosselen en 4.000 dikke riviermosselen worden herintroduceerd in de zijrivieren van de Our en de Laval.
Hoe worden zoetwatermosselen herintroduceerd?
De herintroductie van de parelmossel en de dikke riviermossel is gebaseerd op een nauwkeurig wetenschappelijk proces, waarbij veldwerk, kweek in een kweekstation en ecologische monitoring worden gecombineerd.
In eerste instantie worden larven, zogenaamde glochidies, in het veld verzameld op een gunstig moment, bepaald door de monitoring van de geslachtsrijpheid van de vrouwtjes, meestal tussen april en augustus. Eenmaal verzameld moeten deze larven snel naar het kweekstation worden vervoerd, omdat hun overlevingsduur zeer kort is, in de orde van enkele uren. Om hun overlevingskansen te waarborgen, wordt de reis tussen de oorspronkelijke waterloop en het station tot een minimum beperkt.
In het kweekstation van Kalborn worden de glochidies vervolgens op gastvissen aangebracht, een onmisbare stap in hun ontwikkeling. Na enkele maanden zijn er jonge mosselen van 3 tot 6 maanden oud en ongeveer 1 mm groot. Deze jonge exemplaren worden vervolgens in speciale voorzieningen (zoals grindkooien of gaaskooien) geplaatst, die direct in de waterlopen worden geïnstalleerd. Deze voorzieningen bieden bescherming en stellen de mosselen tegelijkertijd bloot aan natuurlijke omstandigheden. Op elke locatie worden meerdere bakken met ongeveer 100 jonge mosselen geplaatst, die vervolgens maandelijks worden gecontroleerd en schoongemaakt.
Deze monitoring maakt het mogelijk om de overleving en groei van de exemplaren te beoordelen op basis van verschillende parameters, zoals de beschikbaarheid van voedsel of de weerstand tegen hoge temperaturen. De resultaten worden vervolgens gebruikt om de beken en gebieden te identificeren die het meest geschikt zijn voor een duurzame herintroductie. Ten slotte wordt, om een langetermijnmonitoring te garanderen, ongeveer 20 % van de uitgezette mosselen individueel gemerkt met labels die op een van de kleppen worden bevestigd, zodat ze tijdens de monitoringcampagnes na afloop van het project kunnen worden geïdentificeerd.
De parelmossel: een complexe en kwetsbare levenscyclus
De parelmossel onderscheidt zich door een bijzonder complexe en lange levenscyclus. Een nauwkeurig begrip van de verschillende stadia is essentieel om de bescherming ervan te waarborgen en doeltreffende instandhoudingsmaatregelen te nemen. Deze cyclus omvat vier hoofdstadia: het larvale stadium (glochidie), het parasitaire stadium op de kieuwen van een gastvis, het juveniele stadium na het loskomen van de vis, en ten slotte het volwassen stadium, dat wordt bereikt na een zeer lange groeifase die tussen de 12 en 20 jaar kan duren. De zeer gevoelige glochidieën kunnen slechts 3 tot 4 dagen in open water overleven. Gedurende deze korte periode moeten ze zich absoluut aan een gastvis hechten. Vandaag de dag, bij afwezigheid van de lokaal verdwenen zalm, vormt de beekforel (Salmo trutta) de enige beschikbare gastheer. Naar schatting slaagt ongeveer 20 % van de glochidieën erin zich aan de kieuwen van een vis te hechten. Na ongeveer negen maanden ontwikkeling op de gastheer maken de jonge mosselen zich los en graven zich in het substraat van de waterloop in.